-
VERLAGING VAN DE TARIEVEN IN DE VENNOOTSCHAPSBELASTING
Sinds 1 januari 2018 is het basistarief in de vennootschapsbelasting gedaald van 33% naar 29%. Vanaf 1 januari 2020 zal het basistarief verder dalen tot 25%. KMO’s kunnen bovendien onder bepaalde voorwaarden genieten van een specifiek tarief van 20% op hun belastbare grondslag t.e.m. 100.000 EUR.Terwijl het KMO-tarief voorheen enkel kon worden toegepast door een vennootschap waarvan het belastbare inkomen niet meer dan 322.500 EUR bedroeg, wordt het nu opengesteld voor elke kleine vennootschap op haar belastbare grondslag t.e.m. 100.000 EUR. Op de belastbare grondslag boven 100.000 EUR zal het basistarief in de vennootschapsbelasting worden toegepast. Of een vennootschap kan worden beschouwd als een kleine vennootschap hangt af van het aantal personeelsleden dat wordt tewerkgesteld (maximaal 50), van de jaaromzet (maximaal 9 miljoen EUR, excl. btw) en van het balanstotaal (maximaal 4,5 miljoen EUR). Enkel indien meer dan één van deze criteria wordt overschreden, zal een vennootschap niet kunnen worden beschouwd als een kleine vennootschap.
Om te kunnen genieten van het KMO-tarief moet de kleine vennootschap in principe aan ten minste één van haar bedrijfsleiders een minimumbezoldiging toekennen van 45.000 EUR. Indien het belastbaar resultaat van de vennootschap vóór toekenning van de bezoldiging echter minder dan 90.000 EUR bedraagt, volstaat het dat minimaal de helft van dat resultaat wordt toegekend als bezoldiging. Deze voorwaarde is niet van toepassing gedurende de eerste vier boekjaren vanaf de oprichting van de vennootschap.
Bepaalde vennootschappen worden expliciet uitgesloten van het KMO-tarief (o.a. beleggings- en financiële vennootschappen).
2. VERHOGING VAN DE TARIEVEN IN DE ROERENDE VOORHEFFING
Het basistarief in de roerende voorheffing is sinds 1 januari 2017 echter (nogmaals) gestegen. Een dividend dat door een Belgische vennootschap wordt uitgekeerd aan haar particuliere aandeelhouder is sindsdien in principe onderworpen aan een roerende voorheffing van 30%.De winst die door een kleine vennootschap wordt uitgekeerd aan een particuliere aandeelhouder zal hierdoor in principe een globale belastingdruk van ongeveer 44% ondergaan. Deze globale belastingdruk kan dalen door gebruik te maken van diverse fiscale aftrekken (DBI-aftrek, aftrek voor risicokapitaal,…).
Kleine vennootschappen (en hun aandeelhouders) kunnen onder bepaalde voorwaarden echter genieten van een verlaagd tarief in de roerende voorheffing, waardoor de globale belastingdruk veel lager kan uitvallen. Concreet gaat het om zogenaamde VVPRbis-dividenden en VVPRter-dividenden (Verlaagde Voorheffing/Précompte Réduit).
VVPRbis-dividenden komen voort uit nieuwe aandelen op naam die vanaf 1 juli 2013 worden uitgegeven door een kleine vennootschap in ruil voor een inbreng in geld. Deze dividenden kunnen na een wachtperiode van vier jaar in principe genieten van een roerende voorheffing van slechts 15%. Hierdoor zal de globale belastingdruk op de winst die door deze vennootschap wordt uitgekeerd aan een particuliere aandeelhouder dalen tot ongeveer 32%.
