In de kerstperiode instond er enige commotie rond Fernand Huts, naar aanleiding van een artikel in de krant De Morgen waar werd gesteld dat de havenondernemer zijn kunstcollectie beheert vanuit het belastingparadijs Jersey. En het blijkt inderdaad dat Fernand Huts in 2011 op het offshore kanaaleiland Jersey een stichting heeft opgericht, The Phoebus Foundation, om zijn kunstpatrimonium in onder te brengen en te beheren. Jersey is uiteraard algemeen bekend om zijn fiscaal vriendelijk klimaat. Bedrijven op het eiland betalen geen vennootschapsbelasting en ook dividenden, intresten en royalties worden er belastingvrij geïncasseerd. Het was dan ook enigszins te verwachten dat hierop kritiek ging volgen.
Nochtans kan niet worden ontkend dat Fernand Huts met zijn stichting wel degelijk inspanningen doet om ook het Belgische publiek van zijn kunstverzameling te laten genieten. Zo was The Phoebus Foundation onder meer de drijvende kracht achter tentoonstellingen zoals Voor God en geld, Oer, Vossen en PiKANT! Bovendien plant The Phoebus Foundation binnenkort een permanente tentoonstelling rond de Cobra-beweging in een nieuw museum in Antwerpen. Dit kunstmecenaat was echter onvoldoende om de kritiek op de fiscale structuren rond het kunstpatrimonium te doen verstommen. Heel wat mensen stelden dat een kunstmecenaat niet te rijmen valt met belastingontwijking en een kaakslag is voor de belastingbetalers die dan wel moeten opdraaien voor de subsidies die aan Fernand Huts zijn stichting en bedrijven worden toegekend. Anderen stelden dat weer dat Huts niets illegaals heeft gedaan en gewoon zijn fiscale situatie heeft geoptimaliseerd, onder het motto dat juridisch alles mogelijk is, zolang het niet onmogelijk is.
De commotie rond The Phoebus Foundation is de zoveelste welles-nietes discussie over belastingontwijking en fiscale ethiek, die altijd weer uitmondt in de klassieke links-rechts tegenstelling. Moeten we nu als maatschappij kritisch kijken naar dergelijke verhalen? Als u het mij vraagt, absoluut, zeker als er ook subsidies mee gemoeid zijn. Maar anderzijds is het misschien ook te makkelijk om personen zoals Fernand Huts altijd maar met de vinger te wijzen als ze fiscale structuren opzetten. Uiteindelijk bewegen zij zich ook maar binnen een fiscaal-juridisch kader dat door onze overheden werd gecreëerd en waar bewust of onbewust fiscale achterpoorten in werden open gelaten. Het is dus in de eerste plaats aan onze bewindvoerders om deze problematiek aan te pakken, maar de vraag is dan wel of er daarvoor politieke bereidheid bestaat.
Wat echter ook steevast ontbreekt in de fiscaal ethische discussies rond belastingontwijking is de enige reflectie over de oorzaken van het fenomeen. Waarom neemt iemand als Fernand Huts zijn toevlucht tot een stichting in Jersey om zijn kunstpatrimonium te beheren en doet hij dit niet bijvoorbeeld in eigen naam of via een Belgische rechtspersoon? Wel wie de Belgische regelgeving er eens op naziet zal vlug tot de vaststelling komen dat de beeldende kunst in de huidige fiscale wetgeving vrij stiefmoederlijk wordt behandeld. Enkel voor het schenken of legateren van kunstwerken, die behoren tot het roerend cultureel erfgoed of die internationale faam genieten, is in een bijzondere fiscale regelgeving voorzien. Wie dergelijke kunstwerken in natura schenkt aan musea kan genieten van een belastingvermindering van 45% in de personenbelasting zoals ook voor elke andere gift aan goede doelen. Daarnaast kan men ook verschuldigde successierechten in natura betalen met dergelijke kunstwerken.
Andere fiscale systemen met betrekking tot kunst zijn er niet, zodat wie wil investeren in kunst, zelfs met als doel deze kunst publiek ten toon te stellen, ons land inderdaad beter links laat liggen. Zowel in de Inkomstenbelastingen als in de BTW is de aankoop van kunst, in tegenstelling tot design en decoratie, niet aftrekbaar als beroepskost en kan dus niet afgeschreven worden. Dit heeft nefaste economische gevolgen niet enkel om reden dat dit de bloei van de kunsteconomie beperkt, maar ook omdat dit ervoor zorgt dat het aan- en verkopen van kunst vaak in het niet officiële circuit plaatsvindt en de meerwaarden bij een verkoop daardoor onbelast blijven.
De politiek zou er goed aan doen om zich hierover toch eens te beraden. Het is in barre budgettaire tijden waar ook de cultuursector meer en meer moet besparen en de overheidssubsidies worden terug geschroefd, misschien wel het ideale moment om de hand reiken naar de privé sector en in te zetten op publiek-private samenwerkingen. Dit zal uiteraard enkel maar kunnen als daar ook een fiscaal statuut voor wordt ontwikkeld. Hierbij kan onder andere worden gedacht aan het fiscaal stimuleren van (groeps)aankopen van kunstwerken die behoren tot het Belgisch roerend cultureel erfgoed of die een internationale faam genieten, uiteraard onder de voorwaarde die publiek tentoon te stellen. Daarnaast kunnen ook investeringen in gebouwen die als publieke tentoonstellingsruimte voor beeldende kunst bestemd zijn fiscaal gestimuleerd worden, en ook aan de uitbreiding van de tax shelter tot tentoonstellingen van beeldende kunst kan worden gedacht. Op het eerste zicht lijken deze maatregelen misschien wat provocatief maar men moet beseffen dat deze maatregelen wel kunnen leiden tot een echte kunsteneconomie en voor heel wat fiscale terugverdieneffecten kunnen zorgen. Misschien toch eens over nadenken bij het schrijven het federale regeerakkoord.
