De minister van Financiën wil het belastingstelsel voor de « DBI BEVEKS » afschaffen, waardoor een einde komt aan een fiscaal efficiënt beleggingsproduct dat door veel Belgische ondernemingen wordt gebruikt om hun overtollige liquide middelen te beleggen.
De regering heeft de minister van Financiën opgedragen een eerste reeks maatregelen voor te bereiden als onderdeel van de “bredere belastinghervorming”. Om de verhoging van de belastingvrije som de personenbelasting te financieren, stelt de minister voor een aantal fiscale niches af te schaffen, waaronder het stelsel van de « DBI BEVEK».
Een DBI BEVEK is een fonds dat in aandelen belegt en waarvan de statuten voorzien in een jaarlijkse uitkering van ten minste 90% van de inkomsten (na aftrek van bezoldigingen, commissies en kosten, enz.). Dit is een zeer populair beleggingsproduct voor Belgische KMO’s die hun overtollige liquide middelen willen investeren. Vele bekende private banken (Degroof, Delen, enz.) bieden hun klanten (Belgische vennootschappen) hun DBI BEVEK “van het huis” aan.
Het succes van dit product wordt met name verklaard door de mogelijkheid om te genieten van een vrijstelling voor de dividenden ontvangen van de DBI BEVEK (toepassing van het stelsel voor definitief belaste inkomsten, “DBI”) en voor de verwezenlijkte meerwaarden in geval van vervreemding, ook al geniet de BEVEK van een belastingstelsel dat afwijkt van het gemeen recht in de vennootschapsbelasting en bezit de Belgische vennootschap geen minimumparticipatie in de BEVEK (d.w.z. een deelneming van 10% of een investeringswaarde van 2.500.000 EUR). Met andere woorden: de vrijstelling is relatief gemakkelijk te verkrijgen, aangezien de klassieke voorwaarden van het DBI-stelsel (de zogenaamde “taxatie”- en “minimumparticipatie-voorwaarden”) niet van toepassing zijn.
Opdat dit belastingstelsel ten volle effect zou sorteren, moet de BEVEK beleggen in “goede aandelen”, d.w.z. aandelen van vennootschappen die aan een voldoende hoog belastingniveau zijn onderworpen. Daarom beleggen DBI BEVEKS meestal in bedrijven die in de Europese Unie of in de Verenigde Staten gevestigd zijn.
De DBI BEVEK is in 2018 echt van de grond gekomen, na de invoering van een nieuw vereiste van minimumparticipatie in het stelsel van de meerwaarden op aandelen. Sindsdien moet een vennootschap, om een belastingvrije meerwaarde op aandelen te kunnen verwezenlijken, een deelneming van 10% in het kapitaal van haar dochteronderneming bezitten of een deelneming met een investeringswaarde van meer dan 2.500.000 EUR. Zo zijn Belgische vennootschappen die hun overtollige liquide middelen beleggen in beursgenoteerde aandelen (beursgenoteerde aandelenportefeuilles bestaande uit beleggingslijnen van minder dan 2.500.000 EUR) volledig belastbaar in de Venn.B. op hun meerwaarden op aandelen.
Bijvoorbeeld : en Belgische vennootschap investeert haar overtollige liquide middelen in aandelen van AB InBev voor een bedrag van 1.000.000 EUR. Derhalve is niet voldaan aan de minimale participatievoorwaarde. Indien de Belgische vennootschap een meerwaarde realiseert op de verkoop van haar deelneming in AB InBev, zal deze volledig worden belast tegen het tarief van de vennootschapsbelasting van 25%.
Aangezien deze voorwaarde van een minimumdeelneming niet van toepassing is op een belegging in een DBI BEVEK, is het gemakkelijk te begrijpen waarom veel bedrijven ervoor kiezen hun liquiditeiten in dit product te beleggen.
Terloops weze opgemerkt dat de afschaffing van dit stelsel geen goede zaak is voor de vele Belgische vennootschappen die investeren in buitenlandse beleggingsvennootschappen die voldoen aan de criteria van de DBI BEVEK. Een voorbeeld is het bekende geval van de Luxemburgse investeringsmaatschappij in risicokapitaal (SICAR), die private equity investeringen doet.
De boodschap is duidelijk: alhoewel inkomsten uit echte deelnemingen in dochterondernemingen moeten kunnen blijven genieten van de vrijstelling voor dividenden en voor meerwaarden op aandelen moeten blijven genieten, moeten inkomsten uit gewone beleggingen volledig belastbaar zijn in het kader van de Venn.B.. De andere maatregel die op de regeringstafel ligt en die erop gericht is – voor wat betreft de aandelen met een investeringswaarde van meer dan 2.500.000 EUR, die een deelneming van minder dan 10% vertegenwoordigen – de vrijstelling voor dividenden/ meerwaarden op aandelen uitsluitend voor te behouden aan “financiële vaste activa” (en dus niet langer aan “geldbeleggingen”), past binnen dezelfde filosofie.
Advocaat-vennoot (Bloom Law)
Docent Universiteit van Luik
