2021/05/28: Knack: De weg naar fiscale hervorming start met de fundering.

Eind deze maand zal de Minister van Financiën, Vincent Van Peteghem, meer duidelijk geven over zijn fiscale hervormingsplannen. De contouren van deze plannen zijn reeds bekend. Het Regeerakkoord van de Regering De Croo voorziet immers dat de Regering een bredere fiscale hervorming gaat voorbereiden om het belastingstelsel te moderniseren, te vereenvoudigen, meer rechtvaardig, en meer neutraal te maken. In zijn beleidsverklaring heeft Minister Van Peteghem reeds gesteld dat de bredere fiscale hervorming tot doel moet hebben bij te dragen aan de engagementen die de Regering heeft opgenomen in het Regeerakkoord, zoals het verhogen van de werkgelegenheidsgraad, het aanmoedigen van het ondernemerschap en het ondersteunen van de klimaatambities.

De manier waarop dit concreet zal moeten gebeuren, blijkt ook reeds voor en stuk uit de beleidsverklaring. Zo verwijst Minister Van Peteghem expliciet  naar het advies van de Hoge Raad van Financiën van mei 2020 met als titel: “Verlaging van de lastendruk op arbeid en mogelijkheden voor de financiering ervan”. Dit advies vormt volgens Minister Van Peteghem het ideale uitgangspunt voor de uitwerking van de bredere fiscale hervorming, waarbij wordt ingezet op een verdere verlaging van de lasten op arbeid en waarbij een verbreding van de belastbare basis moet voorzien in een duurzame financiering voor deze verlaging.

Verder voorziet de beleidsverklaring van de Minister ook in een inspanning van de personen en ondernemingen met de grootste draagkracht om de inspanningen te financieren die nodig zijn de gezondheidszorg. In dit verband wordt  vooropgesteld om de huidige fiscale en parafiscale voordelen van beroepssporters en sportclubs te hervormen. Ook wordt vooropgesteld om de internationale initiatieven rond de minimumbelasting van multinationale ondernemingen en de digitaks mee te ondersteunen.

Tot slot voorziet het beleidsplan naast verschillende maatregelen rond fraudebestrijding ook nog in initiatieven voor een groenere fiscaliteit. Zo moeten alle nieuwe bedrijfswagens moeten tegen 2026 broeikasgasvrij zijn.

Hoewel vriend en vijand het belang van deze fiscale beleidsplannen allicht zal onderschrijven, moeten we ons toch de vraag stellen of een substantiële fiscale hervorming niet moet starten met een debat over de fundamenten van het fiscaal stelsel? Er moet immers worden vastgesteld dat bij de vorige grote fiscale hervormingen die ons land heeft gekend, de fundamenten van het fiscaal systeem wel degelijk in vraag werden gesteld en werden gedefinieerd.

Zo werd bij de invoering van het systeem van de Inkomstenbelasting door de Wet van 29 oktober 1919 zeer duidelijk gesteld dat de hervorming moest steunen op het “draagkracht-“ of “sterkste schouders zwaarste lasten”-beginsel. Dat werd dan fiscaal vertaald in de progressieve tariefstructuur van de personenbelasting, met als resultaat dat wie meer inkomen heeft een hogere gemiddelde belastingdruk moet ondergaan dan wie minder inkomsten heeft.

Bij de volgende grote fiscale hervorming door de Wet van 20 november 1962 tot hervorming van de Inkomstenbelastingen werd het “neutraliteits”-beginsel naar voor geschoven als hervormingsbasis. Zo werd het cedulair stelsel van 1919 – dat voorzag in een aparte belasting op onroerende goederen, op kapitaal en op bedrijfsinkomsten, verhoogd met een bijkomende inkomstenbelasting supertaxe genaamd – vervangen door een globaliserende eenheidsbelasting, dwz één enkele belasting op het globaal inkomen van natuurlijke personen, belast aan progressieve tarieven.

Thans in 2021 moet worden vastgesteld dat het draagkracht- en neutraliteitsbeginsel, die de onderbouw vormen van het stelsel van de Inkomstenbelasting, sterk zijn verwaterd.

In 1919 was het hoogste tarief van de progressieve personenbelasting ( 27,3% ) pas van toepassing op de inkomsten boven 1 miljoen BEF ( 366.000 euro in 2021 ). In 1964 was het hoogste tarief van de progressieve personenbelasting ( 55% ) pas van toepassing op de inkomsten boven 5 miljoen BEF ( 797.000 euro in 2021 ). In 2021 is het hoogste tarief ( 50% ) van de progressieve personenbelasting reeds van toepassing op het bruto-inkomen boven 41.360 euro, waardoor ook reeds doorsnee inkomens aan het hoogste tarief belast worden. Bovendien worden ook tal van inkomsten zoals de roerende inkomsten ( interesten en dividenden ) en meerwaarden op het privé vermogen, niet progressief, maar wel aan vaste tarieven belast, waardoor er van progressiviteit geen sprake meer is en de neutraliteit wordt doorbroken.

Een fundamentele vraag die zich dus stelt, is de vraag of in en welke mate het draagkracht- en neutraliteitsbeginsel vandaag de dag nog kunnen gelden als basispijlers van het huidige fiscaal stelsel in de inkomstenbelasting. Indien de huidige Regering vasthoudt aan deze beginselen, dan is het aangewezen dat de Regering dit ook expliciet zou bevestigen en inhoudelijk gaat definiëren en bovenal consequent zou gaan respecteren. Het Regeerakkoord mag dan wel bepalen dat de fiscale hervorming de fiscaliteit meer rechtvaardig en meer neutraal moet maken, nergens wordt bepaald wat de begrippen rechtvaardigheid en neutraliteit fiscaal dan zouden moeten inhouden.

Alvorens men timmert aan de weg van de hervorming, moet men dan ook eerst nazien of de fundamenten wel goed liggen.

 

 

Souhaitez-vous rester informé?

Abonnez-vous à la newsletter et recevez les derniers articles.